Waarden en normen op de openbare school (beschouwing)

Een partijdige blik op de toekomst

Wout van Steenis

Download publicatie in PDF

Onze scholen doen dapper mee in de goededoelenrace. De kinderpostzegels staan bovenaan, maar er zijn vele andere activiteiten: sponsorlopen voor doelen dichtbij, adoptie op afstand van kinderen in arme landen, banden met minder bevoorrechte zusterscholen enzovoorts. Al die particuliere inspanningen om wat aan de heersende wereldwijde onrechtvaardigheid te doen, lijken te verdampen in de hitte van de door het winstprincipe gedreven wereldeconomie. Maar vooruit, nil desperandum.

Met welk pakket aan prille sociale attitudes sturen we onze leerlingen nu naar het voortgezet onderwijs? Nu nog zijn we met hen trots op de opbrengst van de charitatieve activiteiten, menen we dat we er alles aan gedaan hebben om hun een stukje medemenselijkheid bij te brengen. Nu nog slagen we er min of meer in om op onze openbare school kinderen van verschillend geloof of ongeloof in vrede te laten leren en zelfs samenwerken.  Maar hoe gaat het in de toekomst? Zou je je in het onderwijs moeten richten naar een amorele wereld als toekomstbeeld voor de leerlingen? Zouden we ze dan moeten leren dat ze opgroeien naar een maatschappij met losers en winners, een maatschappij zonder mededogen, een wereld zonder verdraagzaamheid, een wereld waarin een mens op willekeurige wijze ineens kan worden ontdaan van alle waardigheid?

Eigenlijk kunnen we ons nu al geen school of klas voorstellen, waarin geen ethiek te bespeuren is.  Door dat ethisch kader dragen we niet zo efficiënt bij aan de voorbereiding op het overleven in een maatschappij waar het recht van de sterkste heerst. Maar dat zou dan ook tegen de emoties en overtuigingen van het gros van de leraren ingaan en ook tegen die van de meeste ouders. Beiden weten ze dat we de kinderen niet kunnen opzadelen met de hervorming van een ondeugdelijke wereld, maar beiden weten ook dat we ze, zolang ze onder onze hoede zijn, moeten aanspreken op hun verantwoordelijkheid, ook ten bate van anderen. En dan kunnen we alleen nog maar hopen dat ze zo’n houding niet te snel  laten varen in hun volwassenheid.

Aan de ethische oppervlakte liggen de gedragsregels, bij de oudere leerling al vaak samen met hen opgesteld. Maar ook kinderen ontdekken vrij snel dat onder die regels principes als bijvoorbeeld rechtvaardigheid schuilen. Ze zullen niet nalaten de leraar daarop te wijzen als die het zelf even vergeet. Aan de andere kant zijn ze, na beraad, ook best bereid te accepteren dat principes als rechtvaardigheid nooit in oppervlakkige absoluutheid kunnen gelden, dat regels daarom ook uitzonderingen mogen kennen. Overzien we het geheel van ons basisonderwijs, dan is er dus eigenlijk wel sprake van een algemeen gedeelde ethiek, laten we zeggen die van het fatsoen, de eerlijkheid, de genoemde rechtvaardigheid, het mededogen en last but not least het respect voor de ander. Een en ander is zichtbaar in de schoolplannen, en die dekken in dit geval gelukkig ook wel voor het grootste deel de praktijk. Een praktijk die bij ons oorspronkelijk vooral stoelde op de christelijke moraal, maar die ook zonder die expliciet religieuze basis kan voortbestaan, zolang het onderwijs georganiseerd blijft in groepen. Het is het samenzijn in een groep zelf dat gedragsregels oproept. Voor het orthodox of meer liberaal religieus gefundeerde onderwijs – reformatorisch, islamitisch, joods, hindoeïstisch – ligt er dan onder die seculiere ethiek nog een bodem van specifiek godsdienstige overtuiging, waaraan vooral vormen van gehoorzaamheid zonder vragen meer eigen zijn. Daar dienen we behoedzaam mee om te gaan. In onze openbare scholen hebben we dat veelal al kunnen leren door de opvang van kinderen van Jehova’s getuigen.

Uit de praktijk
Juf Els van groep 8 ontkomt niet aan het bespreekbaar maken van de maandelijkse ongemakken waarmee al een aantal meisjes uit de klas te kampen heeft. Ze voldoet blijmoedig aan haar plicht en gelukkig heeft ze zoveel vertrouwen bij haar kinderen uit verschillende culturen dat er een open gesprek ontstaat. Het kernwoord is ‘ongesteld’. Leerlingen zijn zeer betrokken en voor sommige jongens is het onderwerp zelfs nieuw. De tampon komt ook aan de orde. Juf tekent er een op het bord.
“Maar hoe werkt dat dan?”, vraagt Etzel. “Nou”, zegt Fietje uit het woonwagenkamp, “die douw je d’r gewoon in. Dan kan je ook zwemmen als je ongesteld bent.”
Juf legt nog even uit dat een tampon eigenlijk bestaat uit  samengeperste watten, die het bloed absorberen. Maar Etzel is nog niet tevreden. “Maar hoe krijg je dat ding er dan weer uit?” “Dat zie je toch, joh, der hangt een touwtje aan”, zegt Fietje.
Juf merkt dat er nog wel duizend vragen leven, maar er moet ook nog gerekend worden. “Je mag natuurlijk ook best eens aan je ouders vragen, hoe het allemaal werkt”, zegt ze. “Juf, juf,” roept Emine, “wil je soms dat ze me vermoorden? Dat is haram hoor, daar mag je niet over praten.”

Zouden we nu die door de scholen zelf geschapen algemene ethiek, of misschien is hier het begrip moraal beter van toepassing, ook kunnen onderbouwen met een meer algemeen filosofisch grondbeginsel? De Amerikaanse filosoof Richard Rorty biedt ons, uitgaande van het failliet van alle grote ideologieën, desgewenst een pragmatisch handvat: laat ieder kind zich op zijn particuliere terrein in alle vrijheid ontplooien, niets is dan  te gek, maar laat hem in het sociale domein wreedheid vermijden. Zo kunnen we autonomie en solidariteit verenigen. Hogere ambities voor een samenleving moeten we niet hebben. Dat gaat op den duur altijd mis. Rorty verenigt hiermee zijn inzicht in de geschiedenis en de emoties uit zijn jeugd, toen hij gepest werd door zijn medeleerlingen. De anti-pestprotocollen die op veel van onze scholen gehanteerd worden, passen uitstekend in zijn filosofie.

Is meer mogelijk?

Bij het alleen maar volgen van anti-pestregels bevinden we ons op het niveau van de gewoontevorming. Daar kan de leerling zowel met volle overtuiging als ook emotioneel onverschillig, maar rationeel berekenend, toe komen. In beide gevallen wordt er niet gepest, althans niet manifest. Een dimensie in de diepte wordt bereikt als onder de gewoontevorming ook de empathie vrij komt.  Als kinderen in staat zijn om zich voor te stellen (cognitief) en in te leven (emotioneel) in wat in anderen omgaat aan gedachten en gevoelens en mede daardoor hun sociale gedrag laten leiden. Het invoelingsvermogen komt, evenals taalgebruik, niet tot ontwikkeling als we er in onze opvoeding niet constant een beroep op doen. Lidewij Niezink zegt in haar in 2009 verschenen proefschrift, dat kinderen ook dit kunnen leren. Als ze gelijk heeft, dan is de schoolklas natuurlijk het speelveld bij uitnemendheid om het waar te maken.

Binding
Dankzij het geven van onderwijs in groepen komen we bij kinderen van vier tot twaalf jaar aan de behoefte tot binding tegemoet. Omdat die binding veel minder het karakter heeft van onmondige gehoorzaamheid dan tot halverwege de vorige eeuw, zijn er nu veel meer ‘gelukkige klassen’ dan in de tijd van Theo Thijssen. Vanaf de veilige basis van de klas met een juf die van wanten en de wereld weet, kunnen de leerlingen de weg naar kennis op. Ontwikkelingen op ICT-gebied, met name het internet, hebben ervoor gezorgd dat kennis alom voor het oprapen ligt, maar al te vaak in de vorm van op zich zinloze samenraapsels. De juf zal er als eerste iets zinnigs van moeten maken. Kinderen zelf gaan vandaag tastenderwijs nieuwe bindingen aan via het internet. Op school zullen we ons daarom ook in dit opzicht moeten bezinnen op een adequate pedagogische grondhouding. Taboes voor kinderen hebben weinig nut meer. We kunnen nog zoveel filters bedenken, ze racen er dwars doorheen.  De grotemensenwereld toont zich hier aan hen in al zijn goede en slechte kanten. Hier kan de leraar als katalysator werken. Zij kijkt met de leerlingen mee, soms ook naar rotzooi, en zij maakt duidelijk wat ze zelf zou willen weggooien en wat zij zelf waardevol vindt. Een leraar met moreel gezag zal de leerling ook in dit opzicht altijd bijblijven.

In de gepaste veronderstelling dat de school nog wel even zal blijven bestaan, blijven seculiere en, laten we zeggen verlichte, christelijke en islamitische leraren voor een deel verantwoordelijk voor de opvoeding van onze leerlingen. De moraalregels daarvoor maken ze zelf, daarbij in meer of mindere mate geholpen door de historie. Dat blijft gelden, wat er ook verandert aan onze kinderen en aan de maatschappij waarin  kind en school komen te verkeren.

“De school moet niet aan de markt worden prijsgegeven.”
Wout van Steenis

Voor inhoudelijke vragen en/of opmerkingen kunt u contact opnemen met de auteur via e-mail: wsteenis@zonnet.nl

Delen:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Pin on PinterestPrint this pageEmail this to someone